Ga naar de vernieuwde website van Advocaten.nl

 

Nieuwsbrief 4,   april 1996

Inhoud

andere nieuwsbrieven

Nieuwsbrief december 2002
Nieuwsbrief september 2002
Nieuwsbrief juli 2002
Nieuwsbrief mei 2002
Nieuwsbrief december 2001
Nieuwsbrief januari 2001
Nieuwsbrief november 2000
Nieuwsbrief augustus 2000
Nieuwsbrief mei 2000
Nieuwsbrief februari 2000
Nieuwsbrief november 1999
Nieuwsbrief augustus 1999
Nieuwsbrief mei 1999
Nieuwsbrief juli 1998
Nieuwsbrief april 1998
Nieuwsbrief december 1997
Nieuwsbrief oktober 1997
Nieuwsbrief juli 1997
Nieuwsbrief april 1997
Nieuwsbrief december 1996
Nieuwsbrief november 1996
Nieuwsbrief juli 1996
Nieuwsbrief april 1996
Nieuwsbrief december 1995
Nieuwsbrief oktober 1995
Nieuwsbrief juli 1995

CONCURRENTIEVERBOD ZONDER CONCURRENTIEBEDING

Ook zonder een concurrentiebeding kan de rechter concurrerende activiteiten van de ex-werknemer aan banden leggen. Na een langdurig dienstverband besloot een filiaalhouder van een verffabrikant om tezamen met een van zijn topverkopers voor zichzelf te beginnen. Hij nam ontslag en zond de vaste relaties van zijn ex-werkgever een mailing waarin hij hen op de hoogte stelde van zijn vertrek en zijn nieuwe activiteiten aankondigde, met de mededeling dat hij daarover nader contact zou opnemen. De topverkoper benaderde een aantal relaties persoonlijk. Het tweetal voelde zich sterk staan, want geen van beiden had een concurrentiebeding in het contract met hun ex-werkgever. De verffabrikant sloeg echter hard terug en op zijn verzoek verbood de president in kort geding de ex-werknemer om de relaties te benaderen. De ex-werknemer zonder concurrentiebeding is vrij om te gaan en staan waar hij wil. Hem kan niet verboden worden om met zijn persoonlijk verworven kennis en goodwill te gaan concurreren met de ex-werkgever.

Toch blijft sommige concurrentie ongeoorloofd. Hiervan is onder andere sprake wanneer de ex-werknemer actief werft onder de relaties van de ex-werkgever of de reputatie van de ex-werkgever afbreekt, maar ook als hij op andere wijze niet de nodige zorgvuldigheid in acht neemt die vanwege de eerder bestaande contractuele relatie geboden is. Het versturen van de mailing was onrechtmatig en de ex-werknemers kregen het verbod opgelegd om gedurende zes maanden de klanten van de ex-werkgever te benaderen. Vervolgens legde de verffabrikant wegens de (vermeende) schade die de ex-werknemers hem hadden toegebracht beslag onder de bank en onder een aantal nieuw geworven relaties van de ex-werknemers. De beperkte liquiditeit van de ex-werknemers werd daardoor aangetast en legde de concurrerende activiteit nagenoeg lam. De verffabrikant had daarmee voldoende armslag om orde op zaken te stellen. In tal van uitspraken hebben Presidenten in kort geding ex-werknemers zonder concurrentiebeding verboden om onder de duiven van de ex-werkgever te schieten. Het verschil tussen wat wel en niet is toegestaan is vaak subtiel, bijvoorbeeld tussen een klant benaderen (verboden) en zelf benaderd worden (niet altijd verboden, want een gevolg van persoonlijke goodwill). Deskundig advies is daarom altijd noodzakelijk in dit soort zaken.   terug 

 


 

LIK OP STUK

Eenvoudige milieudelicten worden voortaan sneller afgedaan. In het arrondissement Zutphen is sinds juni 1994 geëxperimenteerd met een versnelde afdoening van eenvoudige milieudelicten. Dit beleid is zo succesvol gebleken dat het college van procureurs-generaal heeft besloten om de methode per 1 januari 1996 in het hele land in te voeren.  Bij ontdekking op heterdaad van een eenvoudig milieudelict wordt een vereenvoudigd proces-verbaal per fax of computer-verbinding aan het parket verzonden. Daar wordt zo mogelijk dezelfde dag nog de hoogte van de boete bepaald. Het is de bedoeling dat de verdachte binnen twee dagen een accept-giro ontvangt. Indien de verdachte betaalt is de zaak afgedaan. Wordt ook na aanmaning niet betaald dan wordt het proces-verbaal verder uitgewerkt en wordt de verdachte zo spoedig mogelijk gedagvaard.

 De criteria voor toepassing van de versnelde afhandeling zijn: de overtreding brengt geen ernstige schade toe aan het milieu, de wettelijke norm is duidelijk omschreven en de overtreding leent zich voor vaste afdoeningstarieven (met een maximum van f 2.500,-).
Enkele van de tientallen milieu-overtredingen die via de 'lik op stuk'-methode kunnen worden afgedaan, zijn: het illegaal uitrijden van mest (richtbedrag f 500 tot f 2.250), het kappen van hout zonder vergunning (f 500 tot f 1.000), het doden van een beschermde vogel (f 500), het rapen van kievitseieren buiten het toegestane seizoen (f 200), het illegaal onttrekken van grondwater (f 1.000), overtreding geluidsvoorschriften voor de horeca (f 2.500), verkoop van niet (meer) toegestane bestrijdingsmiddelen (f 2.000) en het vervoer van gevaarlijke stoffen bij mist en/of gladheid (f 750 tot f 1.500). De lik op stuk-methode leent zich overigens uitsluitend voor die gevallen waarin de verdachte te kennen geeft te willen schikken.   terug

 

 


 

LET OP VEILIGHEID

Wanneer u nalaat om de nodige veiligheidsregels na te (laten) leven, zal dit bij een ongeval snel tot uw aansprakelijkheid leiden. De kranten hebben nogal wat ophef gemaakt van de kwestie waarbij een turnster bij het uitvoeren van een gevaarlijke oefening een dwarslaesie had opgelopen. Met name het feit dat zowel de trainster als de gymnastiekvereniging aansprakelijk werden geacht door de Hoge Raad vond men kennelijk opvallend. Toch is de uitspraak in overeenstemming met andere uitspraken. Bij het turnen is het risico van zeer ernstig letsel niet altijd te vermijden. Dat maakt het treffen van bijzondere maatregelen ter voorkoming of beperking van dit soort ongevallen des te belangrijker. De Hoge Raad heeft nu nog eens duidelijk gemaakt, dat men bij gevaarlijke situaties veiligheidsmaatregelen moet nemen en dat iemand die de veiligheidsvoorschriften niet naleeft, onrechtmatig handelt.

 Een ander belangrijk punt uit dezelfde uitspraak is het volgende. Wanneer de vereiste voorzorgsmaatregelen of veiligheidsvoorschriften niet zijn getroffen en er treedt letsel op, dan is de Hoge Raad streng jegens degene die deze regels niet naleefde. Ook letsel dat buiten de normale lijn van de verwachtingen ligt, wordt toegerekend aan de 'overtreder' van de regels. Met deze richtlijnen van de Hoge Raad wordt het voor het slachtoffer eenvoudiger gemaakt om zijn schade te verhalen, omdat hij slechts hoeft te bewijzen dat de veiligheidsregels werden overtreden. Voor gymnastiekverenigingen en dergelijke, maar ook voor ondernemingen en voor een ieder privé is het van belang te weten dat wanneer er veiligheidsvoorschriften zijn, die voorschriften moeten worden nageleefd. Gebeurt dat niet en er ontstaat een ongeval, dan is men eenvoudig aansprakelijk.  terug

 


 

BEDRIJFSVERENIGING MOET RENTE BETALEN

Wanneer een bedrijfsvereniging wordt veroordeeld om alsnog een uitkering te betalen, is zij daarover ook de wettelijke rente verschuldigd. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep na een lange tijd van discussie beslist. Indien een bedijfsvereniging ten onrechte een uitkering heeft geweigerd of stopgezet, pleegt de bedrijfsvereniging daarmee een onrechtmatige daad. Alle schade die uit deze onrechtmatige daad voortvloeit dient door de bedrijfsvereniging te worden vergoed.

Een van de schadeposten is vaak de rente die men heeft gemist, omdat de uitkering pas veel later, soms na jarenlang procederen, wordt betaald. Om deze schade te compenseren heeft men recht op wettelijke rente. Deze rente moet worden berekend over het bruto-uitkeringsbedrag waarop men recht heeft. Ook andere schade die door een onjuiste beslissing is geleden moet door de bedrijfsvereniging worden vergoed. Te denken valt aan fiscale schade, als men door de nabetaling ineens meer belasting moet betalen dan anders het geval zou zijn geweest. De wettelijke rente bedraagt op dit moment 8%. Het gaat vaak om hoge uitkeringsbedragen, zodat een renteclaim de moeite waard kan zijn.   terug

 


 

GEMODERNISEERDE VESTIGINGSWETTEN

Per 1 januari 1996 zijn de vestigingseisen voor ondernemers vereenvoudigd. Dat Nederland een land is van regels en wetten blijkt bij uitstek als je een bedrijf start. Tot voor kort moest een ondernemer voor vrijwel elke bedrijfstak in het bezit zijn van verschillende diploma's. Detailhandel, horeca, ambacht zoals metselaars, stukadoors, kappers; zij hadden ieder hun eigen eisen. Doel van de oude vestigingswetten was met name het bewaken van de kwaliteit van de bedrijfsuitoefening. Voorschriften van handelskennis en vakbekwaamheid dienden ter bescherming van de consument op het gebied van veiligheid en volksgezondheid. Per 1 januari 1996 zijn de vestigingseisen gemoderniseerd en sterk vereenvoudigd. Voortaan gelden voor het overgrote deel van de bedrijven, zoals detailhandel, ambacht, ambulante handel en horeca, dezelfde vestigingseisen, namelijk die voor het "basisbedrijf".

In deze gevallen kan worden volstaan met een diploma algemene ondernemersvaardigheden (AOV).  Voor een kleine groep bedrijven worden daarnaast nog bijzondere eisen gesteld aan de bedrijfstechniek en soms ook aan de vakkennis. Dit geldt o.a. voor sommige bedrijven in de levensmiddelenbranche, de bouw, installatiebedrijven en vervoersbedrijven. Voorbeelden: bakkers, slagers, aannemers, het elektrotechnisch bedrijf en het autobedrijf. Net zoals vroeger blijven bepaalde bedrijfstakken "vrij" voor vestiging, dat wil zeggen dat diploma's en vestigingsvergunningen niet zijn vereist. Voorbeelden: verkoop van boeken, CD's, tweedehands of zelfvervaardigde artikelen, de kunsthandel. De nieuwe vestigingswet voegt daar een aantal andere branches aan toe. Dit betreft bijvoorbeeld de veilinghouder, het maatkledingbedrijf, de begrafenisondernemer en de meubelmaker, waar nu geen vestigingseisen meer voor gelden.  De nieuwe regels van de Vestigingswet Bedrijven gelden voor bedrijven die na 1 juli 1994 zijn gestart. Bestaande vergunningen, afgegeven op grond van de voorheen bestaande eisen, blijven gewoon bestaan.   terug

 


 

NIEUW MERKRECHT

Het nieuwe merkrecht als wapen tegen parallelimport. Sinds 1 januari j.l. is de Benelux merkenwet op onderdelen gewijzigd door nieuwe Europese regelgeving. Een belangrijke verandering betreft de zogeheten 'uitputting' van een merkrecht. Met uitputting wordt het volgende bedoeld. Als een merkhouder eenmaal waren in de handel had gebracht, dan kon hij zich niet verzetten tegen verdere verhandeling van deze waren in andere landen. Zijn merkrecht was dan dus 'uitgeput'. Voorheen gold deze uitputtingsregel wereldwijd. Nu geldt hij alleen binnen de landen van de Europese Unie. Dit heeft grote gevolgen. Een producent die zijn produkten buiten de Europese Unie in het verkeer heeft gebracht, kan nu wèl tegengaan, dat deze verhandeld worden binnen de Europese Unie. Producenten hebben hiermee een sterk wapen in handen gekregen tegen de door hen verfoeide parallelimport. Importeurs en detaillisten zullen goed moeten onderzoeken of de handelswaar binnen of buiten de Europese Unie in het verkeer is gebracht.

  Laat men dat onderzoek na, dan neemt men het risico dat de producent verdere verkoop zal verbieden en bovendien beslag legt op geld en goederen. Men riskeert dus een aanzienlijke schade. Met name Nederlandse ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf blijken niet te weten dat er sprake is van gewijzigde regelgeving. Deze onwetendheid kan voor onaangename verrassingen zorgen. Men doet er verstandig aan om in geval van twijfel over de legitimiteit van de beoogde handel rechtstreeks contact op te nemen met de merkhouder. De nieuwe regels zullen tot gevolg hebben dat produkten uit de lage-lonen landen met steeds meer wantrouwen tegemoet zullen worden getreden en uiteindelijk mogelijk uit het 'Europese Unie'-aanbod zullen verdwijnen wanneer een Europees geproduceerd alternatief voorhanden is. Het is een publiek geheim dat hele branches het hoofd grotendeels boven water houden dankzij parallelimport. Verwacht wordt dan ook dat zowel de handel als de consument geconfronteerd zullen worden met aanzienlijke prijsverhogingen. Te vrezen valt dat dit velen in zakelijke problemen zal brengen. terug

 


 

HUURPRIJSWIJZIGING: OP WELK MOMENT?

Totdat de langverwachte nieuwe wetgeving over huur van bedrijfsruimte een feit is zullen de regels voor huurprijswijziging bij middenstandsbedrijfsruimte verwarring blijven geven. Bij de zogenaamde middenstandsbedrijfsruimte zijn partijen voor wijziging van de huurprijs gebonden aan de mogelijkheden van de wet. Daardoor hebben zij weinig speelruimte. Wanneer kan door één van de contractpartijen wijziging van de huurprijs worden gevorderd? Dit is altijd mogelijk op het moment dat er verlenging van de huurovereenkomst plaatsvindt. In andere gevallen zijn de regels echter vaak onduidelijk of zijn de mogelijkheden uiterst beperkt.

Omdat de regelingen in de wet verwarrend zijn en om te zorgen dat er in zoveel mogelijk situaties wijzigingen mogelijk te maken, is er een aparte regeling in de wet opgenomen, die als vangnet fungeert. Deze bepaling maakt huurprijswijziging mogelijk: 1) na afloop van de overeengekomen duur van de overeenkomst en 2) telkens wanneer vijf jaren, of een veelvoud daarvan, na de oorspronkelijke ingangsdatum zijn verstreken. Praktisch gezien betekent dit dat er veelal om de 5 jaar huurprijswijziging mogelijk is, voor het geval huurder en verhuurder niet in onderling overleg tot een regeling kunnen komen. Voor andere soorten bedrijfsruimte is er geen regeling in de wet opgenomen. Het is dan aan de contractspartijen om verschillende mogelijkheden voor indexering en wijziging van de huurprijs in de overeenkomst op te nemen. Veelal wordt dan in de formulering aansluiting gezocht bij de wettelijke regelingen voor middenstandsbedrijfsruimte.   terug

 

e-mail: info@advocare.nl
terug naar de foldermolen

Aan dit nummer werkten mee:
mw. mr V.C. Kloppers, advocaat te Leiden
mw. mr I.G. ter Laan, Kamer van Koophandel Amsterdam
dr mr D. van der Landen, advocaat te Amsterdam
mr W.P.M. Mulder, advocaat te Alphen aan den Rijn
mr M.J. Resink, advocaat te Amsterdam
mr P. Sieswerda, advocaat te Leeuwarden
Eindredactie: mr C.E. van de Pas-Rutgers van der Loeff